De Industriële Revolutie in Nederland

  

Stoom in Nederland en België 

Voor dit hoofdstuk heb ik dankbaar gebruik gemaakt van gegevens en cijfers uit (vooral)  deel VI van de serie “Geschiedenis van de techniek in Nederland”, door H.W. Lintsen et al.

Professor Harry Lintsen is redacteur van deze serie en schreef alle hoofdstukken die met de stoommachine te maken hadden. Deze serie van zes boeken biedt een behoorlijk compleet overzicht van de stand van de techniek in de 19e eeuw in Nederland. Men geeft ook aan welke onderwerpen nog nader onderzocht moeten worden. 

De hele serie is ook op internet te vinden: https://www.dbnl.org/tekst/lint011tech00_01/

De Industriële Revolutie in ons land begon laat, pas in de tweede helft van de negentiende eeuw. Daarmee waren we 50 jaar later dan België en 100 jaar later dan Engeland. We hoeven ons echter niet te schamen, want in Duitsland begon die pas tijdens het Keizerrijk, dus na 1871. Maar dan doen die Duitsers het ook wel heel goed.

Met zoveel bezoek uit Duitsland aan ons museum (het Stoommachinemuseum in Medemblik)  wil ik hier nog even kort op doorgaan. Van 1887 tot 1912 doet de economie van Duitsland het ontzettend goed. De invoer stijgt in die periode met 244 % en export 215 %. Economisch gezien doet het land het beter dan de VS (173%) en Groot-Brittannië (113%). De Duitse producten zijn goed en niet duur. Voor Groot-Brittannië is deze economische bedreiging een doorn in het oog en een reden om Duitsland op 4 augustus 1914 de oorlog te verklaren, na de Duitse inval in het neutrale België. (Frankrijk, Duitsland en Rusland hadden hun eigen redenen, maar dit is weer een heel ander verhaal…). 

 scheiden 

  In hoofdstuk 2 werd in het stukje over Liéven Bauwens al naar de naam België verwezen. Dat land bestaat pas sinds 1830. Tot halverwege de 16e eeuw hebben Nederland en wat nu België heet deelgemaakt van het rijk van Karel V. Het katholieke zuiden bleef trouw aan de Spaanse koning maar het protestantse noorden keerde zich van hem af, met als gevolg de Tachtigjarige oorlog. Nederland werd een republiek, het zuiden bleef tot 1795 in handen van het Habsburgse koningshuis. In 1795 kwam het bij Frankrijk en tijdens het in 1815 gehouden Congres in Wenen werd besloten dat het onderdeel zou worden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Dat heeft niet lang geduurd. In 1830 scheidden de Zuidelijke Nederlanden zich af en ontstond  België. Dus slechts van 1815 tot 1830 was het een deel van Nederland. Dat is ook belangrijk om te weten bij het gedeelte over de Nederlandse Industriële Revolutie. Voor het gemak noem ik het land van onze zuiderburen steeds “België”.

 Is het aantal stoommachines maatgevend? 

De verspreiding van de stoommachines in een land wordt nogal eens als maat genomen om te laten zien hoe het met maatschappelijke ontwikkeling van een land stond. Wat dat betreft zouden wij maatschappelijk gezien erg onontwikkeld zijn, want rond 1850 hadden de Belgen al 2000 stoommachines draaien en wij nog geen 300. En eigenlijk nog belangrijker is het totale vermogen in paardenkrachten: Nederland 4000 pk en de Belgen 50.000 pk. Gemiddeld waren die Belgische machines nog eens sterker ook. Omgerekend per 1000 bewoners was er voor de Belgen 11,3 pk beschikbaar en voor de Nederlanders 1,4 pk.

Toch was het gebruik van de stoommachine niet helemaal onbekend. Al in 1775 deed de eerste stoommachine zijn intrede in Nederland. En nog wel in een gemaal, dus heeft het een link met ons museum. 

    Dit gemaal stond bij de Oostpoort in Rotterdam en betekende de eerste installatie van een stoommachine (van het Newcomen type) in ons land. Het werd in 1775 in gebruik gesteld. 

Het gemaal moest een probleem oplossen dat al langere tijd bestond, namelijk de onmogelijkheid om boezemwater af te voeren bij hoog buitenwater. De machine werd in onderdelen in Engeland besteld, evenals de ketel. Jabez Carter Hornblower uit Cornwall, een lid uit de familie die zoveel technici had voortgebracht, zorgde voor de samenbouw en de inwerking- stelling. Toen bleek dat de houten armen waaraan de pompen waren bevestigd, problemen opleverden. Hornblower had hiervoor al gewaarschuwd. Het uitschakelen van één pomp was ook niet een goede oplossing en omdat men aan een veel te ingewikkeld project begonnen was ondervond de eerste stoombemaling een behoorlijke tegenslag. Door onkunde en foute berekeningen komt het gebruik van stoom voor bemaling in ons land maar moeizaam van de grond.  

En dat wij zo weinig stoommachines hadden heeft ook niets te maken met een afkeer van techniek. Notabene in de zeventiende eeuw was Nederland het techniekland bij uitstek. Als je als Engelsman iets met techniek wilde doen dan was Nederland the place to be. Onze kennis op het gebied van de (toenmalige) industrie, scheepsbouw en baggerwerk was wijd en zijd bekend. De nuchtere Nederlanders hadden in de 18e en vooral 19e eeuw andere redenen om niet voorop te lopen, zoals we verder nog zullen zien. 

België was het eerste land dat een navolger werd van het Engelse voorbeeld, ofwel de “Tweede Industriële Natie van de Wereld”. 

Hoe kan dat toch? In oppervlak en bevolking waren de landen te vergelijken en toch waren er grote verschillen. België bezat ijzererts, steenkool, lood en steengroeven. Dankzij Liéven Bauwens bloeide de textielindustrie zeer snel op. Die industrie had behoefte aan staal, i.v.m. de smeedijzeren en gietijzeren delen van de machines. De stoommachines in België werden daardoor vooral ingezet in de mijnbouw, textiel en metaal. Die industrie was ook goed voor 87% van het totale stoomvermogen. 

Onze mijnbouw stond op een laag pitje. In Zuid-Limburg waren enkele kleine mijnen die antraciet leverden.  IJzer werd op een eenvoudige manier gewonnen uit beekjes in het oosten van het land, het zogenaamde ijzeroer.  

Nederland en de stoomloze nijverheid 

Er zijn nog andere redenen om het Nederland zonder stoom te verklaren. In de Gouden Eeuw was ons land een “eiland van rijkdom” op een kruispunt van scheepvaartwegen. Die handel maakte onze havens tot een “stapelmarkt”, een plek waar producten van over de hele wereld werden opgeslagen tot ze weer konden worden doorgevoerd. Voordeel van een stapelmarkt was dat door de opslag prijsschommelingen konden worden beperkt. Dit voordeel raakten we langzamerhand kwijt, maar ons land “bleef relatief welvarend met een grote kapitaalkracht in geld- en commissiehandel”.

Onze landbouw was goed ontwikkeld tot een belangrijke economische sector. Wij exporteerden zuivelproducten, granen, meekrap (voor de rode kleurstof), raapzaad (voor raapolie) en groenten. In de eerste helft van de 19e eeuw leverden die producten een grote bijdrage aan de welvaart. Producten uit onze koloniën waren koffie, cacao, rietsuiker en tabak. Die werden ook in Nederland verder verwerkt, maar stoom speelde in die nijverheid geen enkele rol.  

     
De onderstaande grafiek laat zien dat de stoommachine in Nederland pas na 1850 aan een opmars begint. Het aandeel van rosmolens (paardenmolens) en windmolens blijft nog erg groot.  Zelfs de rol van de watermolen is nog niet snel uitgespeeld. 

  

En waar werden die krachtbronnen dan voor gebruikt? 

Rond 1850  stonden er ± 5.740 paarde-, water-, -windmolens en stoommachines in Nederland, in 17 bedrijfstakken. De voedingsmiddelennijverheid gebruikte maar liefst 74% van al die kracht.

Omdat voor elke stoominstallatie een concessie moest worden verleend, was er goed bekend hoeveel machines er in 1851 in Nederland stonden: 292. Een daarvan was onze Everdingen & Evrard. Van die 292 stoommachines stond: 

 Toch zijn er in de eerste helft van de 19e eeuw wel ondernemers die voorop lopen. De wortels van “Etablissement Fijenoord” liggen in Rotterdam (en was een onderdeel van de Nederlandse Stoomboot Maatschappij) en die van de “Koninklijke Fabriek van Stoom- en andere Werktuigen” in Amsterdam. Beide bedrijven werden opgericht rond 1825. Ze hadden beide een rederij en leverden ook aan buitenlandse afnemers. 

Het eerste bedrijf (zie afbeelding) werd geleid door Gerhard Moritz Roentgen, een belangrijke stoompionier die een groot aandeel heeft gehad in de ontwikkeling van de compound stoommachine. Na fusies werd dit bedrijf uiteindelijk “Wilton-Fijenoord”. 

Het tweede bedrijf werd opgericht door Paul van Vlissingen en heette al spoedig “Van Vlissingen & Dudok van Heel”. Later werd dit Werkspoor. 

We komen later nog enkele pioniers tegen. 

 

 

 

 

  

textiel 

Ook in Nederland startte de Industriële Revolutie met textiel. 
Die textielindustrie was lange tijd een huisindustrie. Er werd vooral wol gesponnen en geweven, alles met de hand. Dat was aanvankelijk ook in België zo, waar Verviers het centrum van de wolindustrie was. Nederlandse wolsteden waren Tilburg en Leiden. In Leiden ging het om laken, een wollen stof die geweven werd en daarna vervilt. Zo kreeg men een warmere en sterkere stof. Dus in Leiden maakte men fijnere stoffen.

De schietspoel vormde de enige vooruitgang bij het thuiswerk, waarmee de snelheid van het weven verdubbelde. In België ging men al snel over tot mechanisering van de wolindustrie, wat ook gevolgen had voor de machinefabrieken, want o.a. Cockerill leverde veel weefmachines en stoommachines. In Tilburg mechaniseerde men zonder stoom. De werktuigen werden aangedreven door paarden, windmolens en zelfs de kracht van mensen. De eerste Tilburgse stoommachine werd in 1827 geplaatst bij de fabriek van Pieter van Dooren. Rond 1850 waren er rond Tilburg 2100 thuiswerkers en 40 wolfabrieken en nog weinig stoommachines. Geen wonder dat de Belgen in Verviers een grotere productie hadden. En toch had de Tilburgse wolindustrie daar geen last van, want in Verviers maakte men fijne stoffen zoals flanel en in Tilburg de zware donkere stoffen zoals baaien en duffels, die op het platteland -ook van België- populair waren. Na de afscheiding van België raakte Tilburg die markt kwijt en men deed er weinig aan om over te stappen op fijnere stoffen die in Nederland verkocht konden worden.  

De katoenindustrie in ons land stelde tot de afscheiding weinig voor. Ook hier draaide het om huisindustrie waar producten voor eigen gebruik of voor de regio werden gemaakt. Het belangrijkste gereedschap was hierin het spinnewiel. Er waren ook wel spinlokalen waar men werkte met tweedehands machines van andere fabrieken. Bij het weven van katoen gebruikte men nog geen schietspoel die op het moment de afscheiding al bijna honderd jaar bestond. Dat is ook het probleem: hoe kwam je aan informatie in die tijd?  

Onze problematische industrie werd aangepakt door Koning Willem I, zoon van stadhouder Willem V. Hij had redelijk veel macht en was in tegenstelling tot de volgende koning nog geen constitutioneel vorst. Hij woonde vanaf 1795 in ballingschap in Engeland, vanwege de Franse inval. In 1813 werd hij “Soeverein Vorst” der Nederlanden. De toekomstige Koning Willem I had dus lang kunnen rondkijken in Engeland. Die kennis nam hij mee naar de Nederlanden, waar hij werkelijk van plan was om het volk vooruit te brengen. Niet altijd even goed en hij was ook eigenwijs, maar hij heeft toch veel voor elkaar gekregen tot zijn aftreden in 1840.  

de NHM 

Een van zijn ideeën was de oprichting van de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) in 1825. In feite werd er door de NHM veel geld gestoken in het opzetten van een moderne industrie. Tot de afscheiding in 1830 heeft uiteraard ook België hiervan gebruik kunnen maken. 

Wie een contract afsloot met de NHM moest doen wat de NHM adviseerde, maar dan was men wel verzekerd van afzet want de NHM kocht de producten op. Uiteraard kon men op deze manier niet concurreren met landen zoals België en Engeland. Onze producten gingen vaak naar Nederlands Indië, waar ze in natura betaald werden met producten zoals koffie, thee, suiker en rubber. De NHM werd wel eens de kleine V.O.C. genoemd. Op de foto zien we de katoenfabriek van Thomas Wilson, uit Haarlem (± 1835) die ook aan de NHM leverde. Bij een uitvergroting staat er “NHM” op de kisten links. Deze gravure laat ook zien dat een fabrieksdirecteur vaak trots was op zijn stoommachine. Het gebouw waarin die staat is opengewerkt getekend. 

Overigens ging de export van ons katoen naar Nederlands-Indië helemaal niet ten koste van de arbeiders daar, want katoen werd ingevoerd.  Het ging wel ten koste van het Engelse katoen.  

  

 

In Nederland was het de katoenindustrie in Twente die extra aandacht kreeg. Er werd niet meteen een grote stap genomen naar machines op stoomkracht. Het gebruik van handweefgetouwen voerde nog de boventoon, maar ze werkten wel met schietspoel! Rond 1840 maakte men in die streek al 600.000 stuks calicots (een katoenen stof die eruit ziet als linnen) met een waarde van twee miljoen guldens. Hiermee kon men 6000 wevers aan het werk houden.  

Voor Twente werd de Engelse textiel technicus Thomas Ainsworth aangetrokken. Dat was een snelle manier om recente informatie over de stand van zaken in de Engelse industrie naar Nederland te krijgen. Ainsworth stichtte een weefschool in Goor, smokkelde machines naar Nederland trok ook buitenlandse vaklieden aan.

Ainsworth nam ook proeven met het weven van een fijnere soort katoen, die geschikt was om te bedrukken. Patronen weven met gekleurd katoengaren is erg duur. Bedrukken (met houten blokken) was beduidend goedkoper. Om kennis over te dragen aan de fabrieksarbeiders sticht hij op verzoek van de NHM een modelweverij en een vlasspinnerij. Zijn keuze valt op de omgeving van het kruispunt van de straatweg van Zwolle naar Almelo met de rivier de Regge. In een directievergadering werd een naam bedacht voor deze plek: Nijverdal; -nijverheid in het dal van de Regge. De eerste steen voor de modelfabriek werd gelegd op 14 mei 1836. De naam Nijverdal werd later de naam van het plaatsje). 

Thomas Ainsworth werkte volgens de weg van de geleidelijke verbetering en dat viel goed in Nederland. 

Wie niet aan de hand van de NHM wilde lopen kon groot risico lopen. De Almelose textielhandelaar H.E. Hofkes had honderden wevers in dienst, die goed werk leverden. Bij een bezoek aan Gent leerde hij echter dat er rond Gent ook nog heel veel thuiswerkers werkzaam waren in de weverij. Hij ontdekte ook dat het wel winstgevend was om een stoom aangedreven katoenspinnerij op te zetten. Dat sprak Hofkes aan. De Gentenaren adviseerde hem om meteen maar een fabriek met 10.000 spillen op te zetten. De NHM wist dat zo’n grote fabriek een lange aanlooptijd nodig had. Tot zijn schade ontdekte Hofkes dat zelf ook. De fabriek werd pas rendabel na heel veel problemen. De Belgen hadden een verkeerd type machine voorgesteld en buitenlandse adviseurs waren niet zo goed als dat ze zich hadden voorgedaan, dus Hofkes heeft lange tijd maar wat aangemodderd.  

innoveren 

De werkwijze van de NHM hield de industrie kunstmatig aan de gang. Over de hele linie van onze industrie bleef men voornamelijk op de oude manier werken. Nieuwe methoden leverden echter ook niet altijd een beter product op. Een mooi voorbeeld is loodwit, een dekkend wit pigment voor o.a. verven en het enige dat geschikt was om met olieverf te mengen. In Nederland deden we dat al heel lang op de volgende manier: in geglazuurde aardewerk broeipotten deed men een laagje bierazijn. Daarboven hingen drie loodspiraaltjes die oxideerden. De warmte voor het proces kwam uit broeiende mest. Na enige tijd werd het loodwit van de spiraaltjes geklopt, een omslachtig proces dat ook nog eens heel ongezond was. Toch was het een belangrijke industrie. In 1790 voerde Nederland 1,3 miljoen kg loodwit uit. Deze manier van werken is tot ver in de 19e eeuw nog gebruikt. De Engelsen werkten volgens een nieuw procedé dat sneller werkte en meer loodwit opleverde, maar de dekking was lang niet zo goed als bij de “Hollandse methode”.  

Als een procedé goed werkte bleef je erbij. Waarom zou je wat anders proberen? Neem de productie van zwavelzuur, dat bij diverse processen werd gebruikt: bijvoorbeeld bij het maken van stearine kaarsen en de rode kleurstof garancine uit meekrap. Zwavelzuur werd op  een ouderwetse arbeidsintensieve manier vervaardigd. De directeuren van dergelijke chemische fabrieken waren vaak apothekers die “empirisch” werkten. Scheikunde was in het begin van de 19e eeuw nog een heel jonge wetenschap, waar weinig apothekers mee kennis hadden gemaakt. (tekening hieronder: Loodwitmolen “De Star” en droogschuren, aan de Haarlemmertrekvaart te Sloterdijk, omstreeks 1800). 

Pas in de tweede helft van de 19e eeuw begint men met het innoveren van processen. De werkwijze van de NHM stond haaks op het idee van Adam Smith, die voorstander was van de vrijhandel. Vraag en aanbod bepalen daarin de prijs en daarvoor moet je innoveren en investeren om met je productiemethoden de prijs concurrerend te houden. 

Bij grotere fabrieken, zoals de Wester Suikerfabriek werkte een technische staf die op de hoogte was van de nieuwste ontwikkelingen die men ook kon lezen in vaktijdschriften.  Er ontstonden ook laboratoria bij de fabrieken om processen van te voren te ontwerpen en  te testen, maar ook om de kwaliteit van de producten te kunnen onderzoeken. De chemisten gingen aanvankelijk naar Duitsland om daar te studeren. Later kon dat ook in Nederland. 

Voor innovaties moest je wel zeker van je zaak zijn en ook een bepaalde verwachting hebben van je ideeën. Innovaties betekenden meestal grote investeringen, die je pas na een lange aanlooptijd terugverdient.

Een mooi voorbeeld van eigen onderzoek werd gedaan in de  katoenfabriek van Prévinaire in Haarlem. Eigenaar J.B.T. Prévinaire, die door de NHM uit België werd gehaald, was een heel innovatieve ondernemer. Prévinaire bedrukte in “Turks Rood” (uit meekrap bereid) geverfde katoenen doeken. Al snel specialiseerde de fabriek zich in batik imitaties. In Nederlands Indië werden batik doeken met was van een patroon voorzien. Dat ging met een minitrechtertje dat met hete was gevuld, waarmee men patronen op de stof aanbracht. Dat was erg arbeidsintensief. Daarna werden de doeken in een kleurstof gedompeld en aangedrukt. Daarbij werden onbehandelde delen gekleurd, de met was bedekte delen niet.  Met het aandrukken brak de was en ontstond het bekende craquelé effect in het doek. Het boek met de proeven van Prévinaire jr. laten dit zien. Het onderzoek dat betere batiks opleverde werd vooral door hem uitgevoerd.  

Prévinaire’s batiks leken het meest op het Indische origineel en op het proces werd patent aangevraagd door de fabriek. Prévinaire jr. ontwierp een machine, “La Javanaise”, die de was op het doek kon drukken. Zo werd het proces versneld. Er was echter nog één probleem. Het resultaat zag er uit als een echte batik, maar rook niet als een echte batik. Het bleek dat de originele Indische geur vooral werd veroorzaakt door de combinatie van was en gom. Na die ontdekking was het laatste probleem opgelost en werden de Prévinaire batiks ook populair in Nederlands Indië en een aantal Europese landen. Ze werden verkocht als “Waxprints”. Als de batiks hun langste tijd gehad lijken te hebben, komt er in het begin van de 20e eeuw weer een opleving.

 

 

Zelfreflectie was ook een middel om je bedrijf beter te laten functioneren. Je kon je bij voorbeeld afvragen op welke punten je onverkoopbare artikelen afweken van veelgevraagde Engelse, Franse of Duitse producten. Als je dat ontdekt had kon je het niveau van de productie verhogen. Bij gebrek aan deze zelfreflectie zouden bedrijven ten onder kunnen gaan, met als gevolg veel werklozen en bovendien zou er dan teveel Nederlands geld uitgegeven worden om buitenlandse spullen te kopen.  

  

 

 

 

 

oud en nieuw - van stoombier en de stoomwascherij

Men had tot aan de stoomkracht de beschikking over diverse krachtbronnen. “De spierkracht  van de mens was tot ver in de 19e eeuw het universele krachtwerktuig dat in alle bedrijfstakken inzetbaar was en in het merendeel ervan de belangrijkste krachtbron vormde”. 

Maar helaas, dat is niet zoveel. Een sterk iemand produceert hoogstens een halve pk. Een rosmolen is net zo sterk als het aantal paarden dat erin rondloopt. Een windmolen kon maximaal 15 pk produceren, maar gemiddeld was dit slechts 6 pk. Wind is vlagerig, wat gevolgen heeft voor de regelmaat van de aandrijving. Voor weven en spinnen is windkracht niet regelmatig genoeg. Waterkracht kan 30-40 pk opleveren maar je kunt het alleen gebruiken als je over een stromende beek of rivier kunt beschikt. Vandaar dat men in het vlakke Tilburg rosmolens gebruikte.

Als de stoommachine zijn intrede doet gebruikt men deze nieuwe krachtbron op dezelfde manier als voorheen. Dus de stoommachine drijft molenstenen aan of hamers om olie uit nootjes te slaan. Pas later ontdekt men dat je ook meel uit graan kunt verkrijgen door het door middels walsen te persen. Er ontstaat dan bloem. Olie kun je ook verkrijgen met een hydraulische pers en de karnton in de melkfabriek wordt vervangen door de centrifuge.

Prof. Lintsen schrijft:

Het gebruik van stoom was niet gelijkmatig over Nederland verspreid. Concentraties traden op in bepaalde regio’s, terwijl in grote delen van Nederland geen stoommachine voorkwam. Zelfs in 1890 waren er vele gemeenten op het platteland in Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Brabant, Limburg en Zeeland waar geen of slechts een enkele stoommachine stond”

Zie hiervoor de beide kaarten hieronder. De kaarten laten ook de verdeling van de industrie zien. In steden was een grotere “stoomdichtheid”. Den Haag bijvoorbeeld, waar veel stoomkracht gebruikt werd voor het pletten van metalen. De stoommachines in Leiden werden gebruikt voor de productie van wollen stoffen en garens. In Haarlem voor het bleken en drukken van katoenen stoffen. In Maastricht zien we op het rechter kaartje een grote stoommachine dichtheid. Daar werden de machines gebruikt voor de aardewerkindustrie en de papiernijverheid. Tilburg dankt zijn plaats op de kaart vanwege de wolindustrie. In Sliedrecht werd stoom gebruikt voor het heien en baggeren. Schiedam gebruikte stoom in de branderijen. Heel typisch is op de linker kaart de kleine gemeente Lonneker (Twente), waar stoomkracht gebruikt werd voor de katoenindustrie. In de peiling van 1858 valt het op dat er in Kralingen een groot vermogen aan stoom wordt gebruikt. Mede door onze Everdingen & Evrard! (in het Stoommachinemuseum in Medemblik). De grote industriële activiteiten in Kralingen hingen nauw samen met de nabijheid van de Rotterdamse haven. Er is in het Kralingen van nu niets meer dat herinnert aan die periode. 

Het vermogen van stoommachines (in pk) in de nijverheid naar gemeenten in 1858.

Exclusief Noord-Brabant en Limburg

Het vermogen van stoommachines (in pk) in de nijverheid naar gemeenten in 1890

(Het kaartje links wekte bij mij enige verbazing. Ik heb lang in Den Helder gewoond, ooit op mijn opleiding een groot werkstuk over de geschiedenis van de stad gemaakt, maar nijverheid met stoommachines was voor mij onbekend. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om de door een stoommachine aangedreven pompen om het droogdok op de marinewerf Willemsoord leeg te pompen. Die pomp werd in 1815 geplaatst en een tekening doet vermoeden dat het om een dubbelwerkende machine gaat, hoogstwaarschijnlijk van Boulton & Watt). 

“Oud en nieuw” slaat ook op de manier van werken. Machines werken alleen voordelig bij het produceren van lange, constante series. Het omstellen op een andere serie betekent langdurige stilstand en dus productieverlies. Handwerkers waren bij het spinnen en weven heel flexibel. Als er een speciaal product in een kleine serie geleverd moest worden dan konden de handwerkers meteen omschakelen. Op het schilderij van Vincent van Gogh  uit 1884 zien we nog steeds een handwever. Handwerk bleef  tot in de 20e eeuw bestaan naast de industriële manier van werken. 

We krijgen vaak de indruk dat Nederland vol stond met grote fabrieken met grote stoommachines, net als in Engeland. Dat was zeker niet zo. Het overgrote gedeelte van de nijverheid in Nederland bestond uit kleinbedrijf. In 1860 werkte 80% van de beroepsbevolking in het kleinbedrijf en in 1889 nog steeds 76,5 %. Dus de stoommachine ontwrichtte de industrie helemaal niet, want de productie bleef kleinschalig. Dat is te zien aan de machines: 

In 1858 had 75% van de machines een vermogen van 20 pk of minder. 

En stoom had iets speciaals... Stoom liet zien dat een bedrijf meeging met zijn tijd. Stoom stond ook garant voor kwaliteit. In oude steden zien we nog in trotse letters op een gevel staan: Stoomwasscherij, Stoombakkerij, Stoombierbrouwerij, enz.  

De stoommachine voor het kleinbedrijf lag vaak midden in de range van 1 tot 20 pk. Onze Everdingen & Evrard zat met zijn 20 pk dus aan de bovengrens. Onze Koos en de Bryan Donkin zijn machines van ongeveer 10 pk. Daarmee had de eigenaar van het kleine bedrijf meer vermogen in huis dan met een windmolen. En met die relatief kleine machine werd het eerst het zware werk verlicht. Denk aan het kneden van klei, het kneden van deeg, dus zware lichamelijke arbeid. 

een sommetje… 

Hoe zat het nu met de kosten van het overgaan op stoomkracht? Een stoommachine was in 1843 niet veel duurder dan een industrie (wind)molen. De eerste kostte 20.000 gulden en de tweede 15.000 in inclusief gebouw en fundering. De watermolen hield stand in de berekening want die was eenvoudig te bedienen en voornaamste kosten bestonden uit het regelmatig vervangen van de houten schoepen van het rad. 

De in 1843 nog niet zo rendabele stoommachine gebruikte veel steenkolen, die bovendien nog van ver moesten komen. En er was minstens één persoon nodig die de ketel stookte en de machine in bedrijf hield. 

Toch bespaarde men met een stoommachine op arbeidskosten. Als we kijken naar de arbeidskosten staken de kosten van de stoommachine gunstig af bij andere krachtbronnen, want het arbeidsloon voor het bedienen van de stoommachine was relatief gezien laag: de machinist/stoker beheerde voor zijn salaris een groter vermogen. “De lasten van rente, afschrijving en onderhoud van stoom lagen niet buitensporig hoger dan bij wind- en waterkracht en aan het einde van de 19e eeuw zelfs een stuk lager. Rente en afschrijving worden immers bepaald door de investeringen en stoom staat bekend als een duur kapitaalgoed.” 

En het paard dan? De brandstof voor het paard is haver. Het paard at minsten voor 300 gulden per jaar op. Dus 300 gulden voor 1 pk per jaar… Eigenlijk is dat duur. Toen de haverprijs door de Krimoorlog (1854-1856) ook nog eens steeg nam het gebruik van de stoommachine toe. 

In de tweede helft van de 19e eeuw daalden de exploitatiekosten van stoom tot onder die van wind- en waterkracht. 

De lagere kosten waren dus een reden om  op enig moment op stoomkracht over te stappen. Die ontwikkeling vond gestaag plaats. Soms ging het met schokken. Een mooi voorbeeld hiervan is de snelle stap van een aantal olieslagers in de Zaanstreek. Ze hadden in 1871 tegen een gunstige prijs grote voorraden lijnzaad (om lijnolie te persen) ingekocht. De toekomst zag er gunstig uit, maar het werd een rampjaar: ze bleven met hun lijnzaad zitten omdat er lange perioden van windstilte waren. Drie bedrijven schakelden in 1872 op stoomkracht over.  

Een meteoroloog haalt uit zo’n verhaal informatie over het weer in die tijd.  In Medemblik werd in 1869 het hulpgemaal “De Vier Noorder Koggen” in bedrijf gesteld omdat de wind-watermolens ook niet altijd konden werken vanwege lange perioden van windstilte… 

protesten 

Uit de pagina "Massaproductie en de Industriële Revolutie in Engeland en Amerika" kennen we de gewelddadige acties van de Luddites. In Engeland was het vernielen van machines al een traditionele vorm van protest. Niet dat men zozeer tegen de moderne machines was, maar wel tegen het feit dat vaklieden hun werk verloren aan ongeschoolde arbeiders. Ze verloren ook bepaalde traditionele rechten. 

In Nederland deden de protesten haast aandoenlijk aan. De stoommachine die Pieter van Dooren in 1827 in zijn Tilburgse fabriek installeerde lokte een vroeg protest uit. Bij het vervoer van de stoomketel wierp men stenen en stukken hout naar “het monster dat het werk zou overnemen” om het te beschadigen. ’s Avonds werden er enkele ruiten bij Van Dooren ingegooid. In Geldrop werd er in 1833 een lakenscheermachine vernield. Bij Van Schuppen in Veenendaal (later Scheepjeswol) zou men de wol in Leiden laten kaarden. De rest van het proces zou in Veenendaal uitgevoerd worden. Volgens de burgemeester zorgde dat “voor eenige gisting en opgewondenheid”. Dus de protesten in de 19e eeuw vielen nogal mee. 

Voor velen bood de fabriek ook voordelen. In de gebieden waar de industrie opkwam, leefden de mensen voorheen als keuterboertjes met weinig inkomsten en een onzeker bestaan. Extra bijverdiensten zoals thuis weven waren onontbeerlijk. Om dat zelfde werk bij Van Heek in Enschede te doen was best wel aantrekkelijk, want hun leven werd er eigenlijk beter op. Je was je vrijheid kwijt, maar wat er voor terugkwam was meer geld, je werkte binnen -en niet meer in weer en wind.  

Sommige fabrieksdirecteuren vonden dat ze het leven van hun arbeiders moesten verbeteren. Na 1870 kwamen ze met eigen ziekenfondsen, eigen woningen, gemeenschapszalen, soms eigen winkels. Etos is bijvoorbeeld de voormalige drogist van Philips. Maar het blijft geen paradijs. Waar komt al die weldadigheid vandaan? Uit werk van de arbeiders! Er ontstaat ontevredenheid, de vakverenigingen verschijnen, er komen stakingen en langzaam verbetert het leven van de arbeiders. 

arbeidsomstandigheden en beroepsziekten 

In 1887 en 1891 werden er twee Parlementaire Enquêtecommissies ingesteld om de arbeidsomstandigheden te onderzoeken. De resultaten van het onderzoek waren schokkend en het ergste was nog dat de meeste arbeiders in hun lot berustten. Nog wel… 

Fabrieken met een centrale stoommachine (of desnoods waterrad) dwongen de arbeiders om stipt te zijn. Als het werk begon, moest iedereen klaar staan. Ze moesten ook op tijd komen. Hoe dat gerealiseerd werd, is niet bekend. Bijna niemand bezat nog een uurwerk. Maar fabrieken hadden meestal wel een toren met een klok erin, of een stoomfluit. De machine bepaalde het ritme en dus ook hoe snel de spinner, wever en kaarsengieter moesten bewegen. De thuiswerker had meer grip op dat tempo omdat hij de snelheid van zijn machine zelf bepaalde -als hij er al een had.

De resultaten van de Parlementaire Enquêtes lieten zien dat er verschrikkelijke fabrieksdirecteuren waren maar aan de andere kant van het spectrum waren er ook vaderlijke directeuren die beter voor hun mensen zorgden. Sommige fabrieksdirecteuren hadden zelf onderzoek gedaan in hun fabriek. Het bleek dat de productiviteit behoorlijk afnam bij lange werktijden. En nog waren er fabrikanten die een incidentele werkdag van 24 of 30 uur voor vrouwen “als onvermijdelijk beschouwden”

Uit de resultaten van de Parlementaire Enquêtes bleek ook dat er in sommige bedrijven wonderlijke boetemaatregelen ingesteld waren. Als een product niet helemaal volkomen was, kreeg het personeel de schuld en werd er loon ingehouden. Ook als de onvolkomenheden door fouten in de machines veroorzaakt werden. 

Arbeiders waren inwisselbaar. Als je ziek werd, kwam er wel weer een ander. En de kans om ziek te worden was niet gering. Beroepsziekten waren al heel lang bekend en men accepteerde dit als een onvermijdelijk iets. Loodwitmakers werden nooit oud, ook toen het procedé iets veiliger werd door het loodwit vochtig te maken. Mijnwerkers, steenhouwers en vlasbrakers (vlasbrekers) kregen stoflongen en werden vroegtijdig ziek. Hoedenmakers werkten met kwik en werden gek (Zo gek als een hoedje… As mad as a hatter…), evenals de spiegelglasmakers, die ook met kwik werkten. Lettergieters kregen loodkoliek en haalden zelden hun vijftigste verjaardag. Wevers liepen krom. 

De autoriteiten wilden niet ingrijpen in deze omstandigheden omdat het particuliere aangelegenheden betrof. Bovendien vond men dat een arbeider het aan zichzelf te danken had als hij een beroepsziekte opliep. Het gekke is, dat de toen al bestaande Hinderwet de omwonenden van een bedrijf wel een mogelijkheid bood om de fabriek te laten sluiten, maar de wetgever had echter geen greep op wat er achter de fabrieksmuren gebeurde. 

vervoer 

De late invoering van de stoommachine heeft ook het verschijnen van de stoomtrein in Nederland vertraagd. Men was in het westen van het land tevreden met de langzame trekschuit en de goede infrastructuur op het gebied van kanalen en trekvaarten. En de trekschuit was populair. Alleen al de route Delft-Rotterdam trok 120.000 passagiers per jaar.

Vervoer over de weg was geen pretje. De wegen waren voornamelijk onverhard en regelmatig moest men per veer een water kruisen. Pas in 1839 werd de eerste spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem geopend; op zich wonderlijk snel want we waren daarmee slechts 10 jaar later dan de Engelsen. Daarna werd het spoorwegnet in Nederland steeds sneller uitgerold, vooral na 1860. Aanvankelijk volgden de spoorlijnen vaak de tracés van de trekvaarten. Het spreekt vanzelf dat betaald vervoer buiten de mogelijkheden van de arbeider viel. Niet alleen was het onbetaalbaar, maar er was ook geen tijd om te reizen. Wanneer zou hij dat moeten doen?

Bij vervoer hoort ook het overbrengen van berichten. Vervoer van pakjes en brieven bestond al in de 18e eeuw. In 1799 werd een landelijke postdienst ingesteld, naar Frans voorbeeld. Een snellere bezorging van berichten ontstond rond 1850 in de vorm van de elektrische telegraaf, naar Amerikaans voorbeeld, het eerst in grote steden. Vaak werden daarom de telegraaflijnen langs de spoorbanen aangelegd. De spoorwegen waren ook belangrijke gebruikers van de telegraaf, bijvoorbeeld voor het doorgeven van meldingen over vertrektijden. 

  

 

 

 

 

 

kinderarbeid 

Willem de Clerq, secretaris van de NHM, reisde in 1832 door Overijssel en was niet blij met de mededeling van fabrikant Hofkes in Almelo, die zijn werklieden, waaronder ook kinderen, 15 uur per dag liet werken. De Clerq zal ook op de hoogte zijn geweest van de Engelse wet op de kinderarbeid (de Factory Act), die in 1833 in werking trad. Kinderen tot 13 jaar mochten vanaf dat moment nog maar 8 uur werken. In Frankrijk was de discussie over kinderarbeid ook opgelaaid, met als gevolg dat hun wet in het voorjaar van 1841 in werking trad. Bij ons in Nederland ging het allemaal wat langzamer. In 1863 werd er een commissie samengesteld -uiteraard… Het eerste deel van het rapport verscheen in 1869. Pas op 19 september 1874 werd het initiatiefvoorstel van Samuel van Houten “verheven tot wet”. Het beroemde kinderwetje van Van Houten. Het hield vooral in, dat kinderen tot 12 jaar niet in een fabriek mochten werken.

hoe is je baas? 

Je hebt goede en slechte bazen. Petrus Regout junior van de aardewerkfabriek van Regout was wel een heel slechte.  In zijn fabriek werkten rond 1865 al 2000 mensen, wat veel was voor die tijd. In de fabriek heersten slechte werkomstandigheden. Kinderen moesten glazuren, wat een ongezond werk was. Ze moesten ook het aardewerk -nog nauwelijks afgekoeld- uit de ovens halen. Petrus beantwoordde de vragen van de Parlementaire Enquêtecommissie heel nonchalant. Dat riep veel weerstand op, o.a. bij de Delftse studenten. Die smeten als protest zelfs Regout aardewerk kapot. De arbeiders hadden maar vier dagen per jaar vrij. Regout zei hierover: 

”Alle menschen zijn in de wereld niet even gelukkig; de een heeft het harder dan de ander”  

De vergelijking van werkende kinderen met studenten werd hem wel heel kwalijk genomen:  

" (studenten)….die immers ook wel een helen nacht opblijven’. En dat jongens van 12 en 13 jaar langer dan 12 uur achtereen glazen in en uit de ovens moesten halen was, naar zijn zeggen, geen probleem: ‘zij waren nog frisch en konden als hazen loopen, terwijl dit met arbeiders op zekeren leeftijd niet het geval was". 

Het kon ook anders. Mogelijk in navolging van New Lanark, maar zeker door een opkomend besef dat het leven van de arbeider verbeterd kon worden, waren er fabrieksdirecteuren die eenvoudige woningen voor hun arbeiders bouwden. Meestal stonden die in de buurt van de fabriek. Heel vaak waren het rijtjeshuizen omdat die met minder stenen te bouwen waren. Soms werd er een park bijgebouwd een enkele keer zelfs een kleine zaal voor  toneelvoorstellingen, zang en dans. Er stond misschien wel een winkel van de zaak, werkend volgens het principe van de coöperatie.  

Maar aan deze weldoenerij zat een nadeel. De arbeiders werden vaak door de vrouw van de directeur “bemoederd”. Er werd ook streng gecontroleerd op drankmisbruik. Vaak vonden de bewoners van de fabriekshuizen dat bemoederen verstikkend. Maar in elk geval gingen de leefomstandigheden van de arbeiders er op vooruit, want vaak kwamen ze uit de goedkoopste woningen in krottenwijken, zoals op de foto hiernaast van de Amsterdamse Uilenburgstraat. Omdat het wonen in een huis van de baas toch de vrijheid beperkte, namen gemeentes en woningbouwverenigingen na ongeveer 1900 deze taak op zich. Deze woningen stonden meestal aan de rand van de stad, waar de grond goedkoop was.  

Een enkele keer was het een weldoenster of weldoener die een project mogelijk maakte in het kader van sociale woningbouw. Een voorbeeld is het juweeltje dat bij het station van Enkhuizen ligt. Vijftig woningen en een opzichterswoning in het Snouck van Loosenpark 

Het werd betaald uit het “Snouck van Loosenfonds” die de erfenis beheerde van Margaretha Maria  Snouck van Loosen. In haar testament stond geschreven: “Elke woning van behoorlijke grootte en ruimte met drie slaapplaatsen en voldoende regenwaterbak en voor lage prijzen te verhuren aan gezinnen, die door duurzame arbeidzaamheid en goed gedrag boven anderen uitmunten”. Dus weer die morele kant. De kleine wijk werd in 1897 geopend. 

 en het “Amerikaanse systeem”? 

Ik kom in de serie boeken “De Geschiedenis van de techniek in Nederland” geen enkele verwijzing tegen over het “Amerikaanse systeem van produceren”, dus verdeling van arbeid in combinatie met de uitwisselbaarheid van onderdelen. In feite gaat het dan om massaproductie. Mogelijk is Philips de eerste. Gerard Philips runde de fabriek in Eindhoven waar kooldraadlampen werden vervaardigd en zijn broer Anton reisde Europa af om er zoveel mogelijk te verkopen. Het was een spel tussen de broers. Als Anton een goede order had binnengesleept wilde Gerard bewijzen dat hij die gemakkelijk kon produceren. Ze werden een van de belangrijkste leveranciers in Europa. In het Philips museum in Eindhoven kun je nog een aantal toestellen zien die bij de productie werd gebruikt. Arbeidsdeling werd zeker toegepast. Men had ook een vernuftige methode om de gloeidraden identiek te produceren. Wat later produceert Philips ook radio’s. Tussen 1927 en 1932 bouwt men er een miljoen. Op oude foto’s is te zien dat de meisjes allen enkele onderdelen in de radio solderen, zonder ook maar enig idee te hebben hoe een radio werkt. Telkens zetten ze de radio weer terug op de lopende band, om een volgende te pakken. 

En bij de autofabricage? Die leverde per merk in ons land ook maar een beperkt aantal stuks op. Uitwisselbaarheid van onderdelen zal waarschijnlijk wel op orde zijn geweest en de verdeling van arbeid is hierbij heel nuttig, maar massaproductie was het zeker niet. Zeer waarschijnlijk moest er af en toe toch nog wel eens wat bijgewerkt worden. Maar zelfs de Rolls Royce vliegtuigmotoren werden in 1940 nog bijgewerkt. De arbeiders waren motorbouwers, die wisten wat ze deden. De problemen kwamen pas met de oorlogsproductie van zeer grote aantallen en daarmee de komst van minder geschoolde arbeiders. Rolls Royce had echter goede contacten met Ford Engeland, dus dat kwam in orde door de methoden uit de autofabriek over te nemen.  

  

 

 

 

 

 

Terug naar de pagina Massaproductie en de Industriële Revolutie in Engeland en Amerika

 

Hans Walrecht

Het bovenstaande is een onderdeel van mijn lezing/presentatie "De Industriële Revolutie in Engeland, Amerika en Nederland" Zie: www.hansonline.eu/lezingen